Laat ik me even voorstellen. Ik ben Raphaël Boaz de Biru Biduri, een mond vol, in de volksmond ook wel onze Raf genoemd. Verwijzend naar de aartsengel. En recentelijk door ons Krisje, Liefde mét de hoofdletter L.
Sinds we vorig jaar in juli samen onze demonen hebben bestreden, ik halfdood in de stinkende schoenenkast en zij halfzot door het Amerika-avontuur, hebben we elkaar gevonden, nog meer als vroeger. Ik ben haar schaduw geworden. (De vakantie van ons leven : Rafke twijfelt om een engeltje te worden ...)
Ik noem haar Krisje. Baasje, dat werkt hier niet in het Droomhuis. Krisje is vrijgevochten en rechtvaardig, komt op voor de minderbedeelden, de arme diertjes en doet niet aan hiërarchie. Ik en mijn bescheten halfzusje Chanel, alias Nelleke, staan op gelijke hoogte als de andere monsters in huis. We mogen van geluk spreken dat we hier zijn terecht gekomen.
En dus, als Krisje 's morgens, slaapdronken, met rastakapsel, de keuken komt in gewaggeld, begroet ze me steevast met 'Dag Liefde'. Da's nu mijn nieuwe koosnaampje. Mijn oren krullen dan, mijn staart gaat in de lucht en met mijn obesitas-gat wrijf ik ronkend mijn feromonen op haar blote beentjes. Dan kirt ze.
Het grootste deel van de dag breng ik door in de kattenkrabpaal, 2 meter hoog, op het hoogste schavot. Als ik geluk heb...
Als mijn halfzusje me voor is, zit ze triomfantelijk te grijnzen en lacht ze me uit. Ik zit dan een verdiepje lager en incasseer braaf de kloppen op mijn kop. Net zoals Krisje af en toe met haar vuist op de printer mept, zo mept Nelleke zo nu en dan met haar gebalde pootje op mijn harige schedel. Pok Pok Pok. Zo maar.
Ik voel dan mijn kleine hersentjes door elkaar geschud worden en het verklaart waarschijnlijk ook mijn vreemde gedrag. Brain Damage.
Maar als ik het bedje kan bemachtigen ben ik de Koning van het Droomhuis. Het bedje heeft een live-view over de tuin met boompjes en mét kleine donzige vogeltjes. Vanuit mijn pluchen divan verlekker ik me op deze gevleugelde idioten door een wartaal uit te stoten, te vergelijken met een bizar binnensmonds gejodel. Ik knabbel in gedachte op kleine musjes en roodborstjes. La vita e bella. Meestal toch, tot ... Pikuurman op de proppen komt.
Af en toe pakt Krisje ons in in plastieken kooitjes. De mijne is fluoroze. Kunde het u voorstellen. Als ik al neig naar homotrekjes, dan is dat roze helemaal top. Ik piep niet. Ik ben flink.
Mijn halfzusje Chanel krijst het hele dorp bij elkaar als ze in haar draagbare kooitje wordt gepropt. Zo'n dramaqueen. Zucht.
Krisje holt dan met ons de glazen trappen af en klikt ons vast in haar kleine Mini-tje. We voelen de bui al hangen. Dit wordt geen prettig ritje. Of we gaan op horrorvakantie in het kattenpension of we moeten naar Pikuurman voor een klein onderhoud.
En zo rijden we door de Vlaamse heuvels. Ik ben lichtelijk panisch, na de eerste bocht begin ik mijn pootjes te likken. Ik lik maar door, het is een tic, kan het niet laten. Gelukkig is de rit niet ver, want anders lik ik tot mijn roze botjes zichtbaar worden.
Mijn halfzusje daarentegen gaat er nu helemaal voor. Ze krijst en miauwt als een poltergeist en als dat geen indruk maakt op mijn Krisje gaat ze over op plan B. Ze pist de kleine Mini vol. Echt waar.
Krisje gaat brusk op de rem staan, vloekt zo hard, ik kan dat hier echt niet herhalen, God schaamt zich en is zwaar teleurgesteld. Ik zie hoe halfzusje met kooi uit de Mini wordt geplukt en even hoopt Chanel nog de vrijheid te proeven, maar dat valt dik tegen. Haar kooi draait ondersteboven, stomme Nell zet zich met vier poten schrap in de box en kattenpis loopt het riool in. Mijn twee madammen gaan elkaar zo meteen verslinden. Mijn hartje gaat flink te keer.
Chanel hoopt alsnog dat Krisje rechtsomkeer maakt naar huis, maar nee hoor, het heeft niet geholpen, we rijden toch naar Pikuurman. De dju.
Het is een gedoe om bij Pikuurman binnen te geraken; Krisje heeft slechts twee handen en loopt af en aan tussen wachtzaal en auto, langs steile trappen en vervelende binnendeuren, om ons uiteindelijk te deponeren in de wachtzaal, naast een speelse mamoetachtige Herdershond. Ik lik dus maar mijn pootjes, daar ben ik goed in en halfzusje gromt als een gemene grizzlybeer en houdt zo de nieuwsgierige hond op afstand. Halfzusje weegt 3 kg en is in staat de vreemdste klanken uit dat kleine kattenlijfje te persen. Ik ben er ook bang van.
Bij Pikuurman houden we ons koest, hoe grappig is dat. Ik maak me met mijn vadsige lijfje zeer klein en plak me aan de achterwand van de kooi. Ik weet dat Krisje haar armpjes te kort zijn, het werkt heel even. Want daar komt de grote klauw van Pikuurman de kooi in geslopen en hopla, pakt me vast in mijn nekvel. De jackpot. Hij heeft gewonnen. Ik zoek bescherming in de armen van mijn Krisje die me lieve woordjes toefluistert ... 't is allemaal niet zo erg', sust ze, maar als ik naar haar opkijk, zie ik de wanhoop in haar blik. En bam daar komen de spuiten, knal in mijn gat. Het is weer zo ver.
Krisje zegt dat ik haar flinke jongen ben ... ik kan niet snel genoeg terug in de fluoroze kooi zitten.
En dan is het de beurt aan Poltergeistzusje. Krisje haalt een kletsnatte Nell uit de toverbox, vol kattenpis. Haar haren staan alle kanten op en ze stinkt uren in de wind. Krisje is heel dapper en troost halfzusje evenzeer en moedig negeert ze de plakkerige pipi die in haar kleren en haren kruipt. Ik schud mijn hoofd. Waarom toch, Chanel?
En daar komen de smerige naalden.
We kunnen niet snel genoeg terug naar huis, even brullend als op de heenweg. Je zou denken dat halfzusje wat gekalmeerd zou zijn, niet dus. Ze krijst in dolby surround. En ik lik mijn pootjes. Dat wordt straks een geweldige haarbal.
Bij thuiskomst moeten Miss België en mijn madame in bad. Arm Krisje, ze is groggy en ze zegt altijd dat ze meer werk heeft met haar twee poezen dan met haar twee tieners.
En dan valt de rust over het Droomhuis. De Mini is ontdaan van ammoniakgeurtjes, de kooitjes ontsmet, de vieze handdoeken worden gekookt en wij twee liggen onze wonden te likken op het warme tapijt, veilig thuis. En ons Krisje die zit binnenkort aan de tranquillizers. We zijn alledrie tureluut.
Zo herinner ik me het laatste bezoek aan Pikuurman. Het is alweer een tijdje geleden. Te lang in mijn kattentijdrekening, oei ...
Woensdagmiddag gaat de bel. Ik slaap er door. Ik schrik niet op van dé bel. Ik lig in mijn kattentoren, hoogste verdiep en mijn buikvet hangt over de rand van het bedje. Buiten fladderen schone vogeltjes speels langs het venster. Krisje is in de buurt en ik geniet van deze schone woensdagmiddag. Ik draai me nog even om en dan gebeurt het : Krisje plukt me weg uit mijn roze droom en overhandigt me aan ... Pikuurman ! Godver, daar had ik geen rekening mee gehouden. Toch niet de vijand binnen gelaten !
Pikuurman mishandelt me gedurende drie minuten en ploft me op de grond. Als een kleine cavia in een reuzegrote doolhof ga ik op de vlucht. De enige deur die openstaat is deze van Noahs kamer. Ik kom hier nooit, het lijkt te veel op mijn kattenbak, waarom zou ik, maar nu is het de ultieme verstopplaats voor de gemene Pikuurman.
Krisje komt achter me aan gehold en troost me met mijn lievelingssnoepjes, maar ik vertrouw het niet. Ze heult samen met de vijand. Hoe is het zo ver kunnen komen ?
Pikuurman verdwijnt van het toneel na ook halfzusje van achteren gepakt te hebben.
Niets zal nooit meer hetzelfde zijn. We zijn allebei van ons melk door dit verraad en weigeren de hele namiddag in de buurt te blijven van ons Krisje. Ik zoek troost bij de miniversie van haar en ga op zoek naar Bo die zich over mij ontfermt, me in haar bedje legt en bevestigt dat zowel Pikuurman als Krisje beulen zijn.
De volgende twee dagen negeer ik het aanhoudend gesmeek van mijn madame. Ik weiger nog langer in de krabpaal te slapen en ga met een grote bocht om haar heen. Ik zie wel de ontreddering op haar gelaat. 'Maar, schatteke toch, door die spuitjes word je niet ziek' raaskalt ze. Laat me niet lachen. Niet ziek, ik kan godverdomme niet eens mijn gat wassen van de spierpijn door die onnozele spuiten.
En dan breekt mijn hart. Want ook halfzusje heeft afstand genomen van Krisjes goedbedoelde stelling. Het Droomhuis is koud en ongezellig. Maar toegegeven, Krisje is ook onze min, de voedster en een kat zonder eten, dat werkt niet of toch niet lang. En eigenlijk is hier maar één schuldige in dit intrieste verhaal, halfzusje Chanel die zonodig de auto moest volpissen. Misschien kan ik ons Krisje wel begrijpen, misschien ...
En zo vlij ik me stilletjes op de tweede dag naast haar in de zetel. Mijn haren plakken nog steeds van de verboden middelen die in mijn nek en kont zijn gesmeerd. Ik zie er niet uit. En dat voor een obesitas-homo-kater. Krisje vlijt haar hand over mijn plakkerige hals en streelt me. We zijn beiden opgelucht en dan fluistert ze : Dag Liefde, wat heb ik je gemist.
Ik zet mijn ronkmachientje aan.
Liefde, alias den dikke Raf.


Weer zo een mooi verhaal zenne kris. Echt goed geschreven. Dikke duim. Marina
BeantwoordenVerwijderenDank u lieve zus, ik amuseer rot bij het schrijven van deze verhaaltjes. Konden Raf en Nelleke maar spreken ... kus xx
Verwijderen